Stel je voor: een toiletruimte in een kantoor of winkelcentrum wordt iedere twee uur schoongemaakt. De medewerkers volgen de voorgeschreven procedures, gebruiken milieugecertificeerde producten en houden zich aan de schoonmaakschema's. Toch blijven gebruikers klagen over de hygiëne. Hoe kan dat?
Helge Alt issenior schoonmaakadviseur en kwaliteitsbeoordelaar uit Estland. Ze werkt al meer dertig jaar in de schoonmaaksector, geeft trainingen, leidt internationale onderzoeken en zet zich in voor kwaliteitsnormen, duurzaamheid en ergonomie in de schoonmaak. Volgens haar ligt een belangrijk deel van het antwoord in de manier waarop we schoonmaakprestaties beoordelen. ‘We meten vaak wat er wordt gedaan, in plaats van wat het oplevert. Hoe vaak is er schoongemaakt? Hoeveel uren zijn ingezet? Zijn alle werkzaamheden uitgevoerd? Maar daarmee weet je nog niet of een ruimte daadwerkelijk schoon is.’
Alt is betrokken bij het Europese Erasmus+-project CleanMind. Daarin onderzoekt ze samen met anderen hoe schoonmaak effectiever en duurzamer kan worden uitgevoerd. De praktijkmetingen laten zien dat er nog veel te verbeteren valt.
Schoon voor het oog, maar niet altijd hygiënisch
Een ruimte die er schoon uitziet, is niet automatisch hygiënisch schoon. Organische vervuiling, zoals resten van huidcellen en andere biologische materialen, en micro-organismen zijn immers niet altijd met het blote oog zichtbaar. Alt verwijst onder meer naar onderzoek van Weber uit 2023, waarbij op ongeveer 90 procent van de onderzochte oppervlakken biofilm werd aangetroffen. Dat is een laagje micro-organismen dat zich aan een oppervlak hecht en lastig te verwijderen kan zijn.
Ook binnen het onderzoek CleanMind werden opvallende resultaten gevonden. Onderzoekers controleerden direct na het schoonmaken acht oppervlakken die vaak worden aangeraakt, zoals deurklinken. Daarnaast werd een spiegel als vergelijkingspunt meegenomen. Met een speciaal meetapparaat, de Kikkoman Lumitester, werd onderzocht hoeveel organische vervuiling nog op de oppervlakken aanwezig was.
‘Meer dan 90 procent van de onderzochte toiletruimten zag er op het oog schoon uit. Maar de metingen vertelden een ander verhaal’, aldus Alt. Het merendeel van de veel aangeraakte oppervlakken bleek na het schoonmaken nog vervuild. De metingen vonden plaats in onder meer ziekenhuizen, verzorgingshuizen, scholen en tankstations. De gebruikte meetmethode toont overigens niet rechtstreeks aan of ziekteverwekkers aanwezig zijn, maar maakt achtergebleven organische vervuiling zichtbaar.
Vaker schoonmaken leidt niet noodzakelijkerwijs tot een betere hygiëne.”
Soms zijn oppervlakken na het schoonmaken vuiler
Nog opmerkelijker zijn de resultaten uit verschillende Europese onderzoeken naar effectieve schoonmaakmethoden. Daaruit bleek dat meer dan 30 procent van de onderzochte oppervlakken na het schoonmaken vuiler was dan ervoor. ‘Dat betekent dat er water, schoonmaakmiddelen, arbeidstijd en materialen zijn gebruikt, zonder dat er enige verbetering is bereikt’, stelt Alt. ‘Vaker schoonmaken leidt niet noodzakelijkerwijs tot een betere hygiëne.’
Volgens haar raakt dit aan duurzaamheid. Daarbij gaat de aandacht vaak uit naar milieuvriendelijke producten, minder chemicaliën en een lager waterverbruik. Maar duurzaamheid kan niet los worden gezien van het schoonmaakresultaat. ‘De duurzaamste schoonmaakdienstverlening is niet die met de meeste milieucertificaten. Het gaat erom het vereiste niveau van reinheid en hygiëne te bereiken met zo min mogelijk middelen.’ Een schoonmaakbeurt waarbij middelen worden verbruikt zonder dat de reinheid verbetert, is volgens Alt dan ook moeilijk duurzaam te noemen.
Feedback aan medewerkers maakt het verschil
De onderzoeksresultaten betekenen niet dat schoonmaakmedewerkers simpelweg harder of vaker moeten werken. Volgens Alt liggen er juist kansen in betere begeleiding en gerichte feedback. ‘Onderzoek en praktijkmetingen laten zien dat aanzienlijke verbeteringen mogelijk zijn wanneer schoonmaakprestaties worden gemeten, medewerkers feedback krijgen en de resultaten vervolgens opnieuw worden gecontroleerd.’
Bij traditionele kwaliteitscontroles wordt vaak gekeken of de afgesproken werkzaamheden zijn uitgevoerd. Maar daarmee weet een medewerker nog niet of de gebruikte schoonmaakmethode ook effectief was. Door meetresultaten met medewerkers te bespreken, wordt duidelijk welke oppervlakken nog vervuild zijn en waar de werkwijze kan worden verbeterd. Dat helpt medewerkers om hun vaardigheden verder te ontwikkelen.
‘De hygiëne verbetert, het schoonmaken wordt effectiever en het totale gebruik van middelen kan vaak worden verminderd’, aldus Alt. Daarvoor zijn niet noodzakelijk meer tijd of materiaal nodig. Onderzoeken laten zien dat de schoonmaakprestaties verbeteren wanneer medewerkers regelmatig feedback krijgen op basis van objectieve meetresultaten. Dat terwijl het aantal arbeidsuren en het gebruik van middelen gelijk kunnen blijven of zelfs afnemen.
Daarmee staat resultaatgericht schoonmaken ook gelijk aan goed werkgeverschap. Feedback hoeft niet alleen een controlemiddel te zijn, maar kan medewerkers helpen om beter te worden in hun vak. ‘Beoordeel niet alleen of het werk is gedaan, maar kijk samen hoe het resultaat kan worden verbeterd.’Alt verwijst naar het bekende principe: ‘Wat wordt gemeten, wordt gemanaged.’
Niet iedere toiletruimte heeft dezelfde schoonmaakbehoefte
Naast betere begeleiding van medewerkers pleit Alt voor een andere manier van organiseren. Veel schoonmaakbedrijven en opdrachtgevers werken nog met vaste schema's, waarbij ruimten op vooraf bepaalde momenten worden schoongemaakt. ‘Een toiletruimte krijgt vaak dezelfde schoonmaakbeurt, ongeacht of deze in de afgelopen twee uur door tien of door tweehonderd mensen is gebruikt’, illustreert ze.
Dat houdt geen rekening met de daadwerkelijke schoonmaakbehoefte. Volgens Alt vraagt duurzaam schoonmaken daarom om een verschuiving van activiteitgericht naar resultaatgericht werken. Daarbij wordt vooral gecontroleerd of het gewenste niveau van reinheid daadwerkelijk is bereikt. ‘Het gaat om schoonmaken op het juiste moment, op de juiste plaats, met de juiste frequentie en op de juiste manier. Dat betekent niet dat er per definitie minder moet worden schoongemaakt. Het gaat erom dat de beschikbare tijd en middelen worden ingezet waar ze daadwerkelijk nodig zijn.’
Meten is pas zinvol als je er iets mee doet
Gegevens kunnen daarbij helpen. Denk aan sensoren die het gebruik van toiletruimten registreren, metingen van achtergebleven vervuiling en regelmatige kwaliteitscontroles. Daarmee kan een schoonmaakbedrijf beter bepalen waar en wanneer schoonmaak nodig is. Maar meten alleen is niet voldoende. De resultaten moeten ook worden gebruikt om de werkwijze te verbeteren. Als een organisatie alleen schoonmaakfrequenties of arbeidsuren meet, stuurt zij op activiteiten. Wanneer zij reinheid, hygiëneniveaus en efficiënt gebruik van middelen meten, sturen zij op resultaten.’
Het resultaat moet centraal staan
Alt pleit voor meetbare kwaliteitsdoelen, een werkwijze die aansluit op de werkelijke schoonmaakbehoefte en aandacht voor de ontwikkeling van medewerkers. ‘Uiteindelijk bestaat er geen tegenstelling tussen duurzaamheid en hygiëne’, benadrukt Alt. Een goed beheerde toiletruimte kan volgens haar aan hoge hygiënenormen voldoen en tegelijkertijd minder water, energie, schoonmaakmiddelen en arbeid verbruiken.
Duurzaam schoonmaken betekent het juiste resultaat bereiken, op het juiste moment, met de minimaal benodigde middelen, water en arbeid.’
Wat is het CleanMind-project?
Hoe kun je slimmer schoonmaken, met minder middelen en toch een goed resultaat? Dat is de centrale vraag van CleanMind, een Europees Erasmus+-project dat zich richt op resultaatgericht en behoeftegestuurd schoonmaken. Het uitgangspunt is dat schoonmaak niet automatisch volgens een vast schema moet plaatsvinden, maar op basis van de werkelijke behoefte. Vervolgens wordt gecontroleerd of het gewenste resultaat is bereikt.
Het project loopt van 2025 tot 2027 en wordt uitgevoerd in Estland, Finland en Zweden door Puhastusekspert OÜ, Propuhtaus en Visera AB. De onderzoekers kijken onder meer naar de benodigde arbeidstijd, het gebruik van schoonmaakmiddelen en materialen en de uiteindelijke schoonmaakkwaliteit. Daarbij beoordelen ze niet alleen of een ruimte er schoon uitziet, maar meten ze ook vervuiling die met het blote oog niet zichtbaar is.
CleanMind bouwt voort op eerdere Europese onderzoeken naar effectieve schoonmaakmethoden. Het doel is om beter inzicht te krijgen in hoe schoonmaakbedrijven met een efficiëntere werkwijze goede schoonmaak- en hygiëneresultaten kunnen behalen. Meer informatie







