Laat ik vooropstellen: schoonmakers verdienen waardering. Zonder hen functioneren kantoren, zorginstellingen, scholen en publieke gebouwen simpelweg niet. En ja, daar hoort een goede beloning bij.
Maar toch bekruipt mij een ongemakkelijk gevoel.
Want de vraag die we in de sector misschien iets te weinig hardop stellen is: wanneer wordt schoonmaak te duur?
Niet in absolute zin, maar in relatieve zin. Uiteindelijk betaalt namelijk altijd iemand de rekening: de opdrachtgever.
Met SMC begeleiden wij jaarlijks een groot aantal aanbestedingen in het facilitaire werkveld, met name op het gebied van schoonmaakdienstverlening. Schoonmaak is en blijft mensenwerk; loonkosten vormen veruit het grootste deel van de totale kosten. Dat betekent dat iedere cao-verhoging direct doorwerkt in hogere contractprijzen.
De afgelopen jaren hebben wij veel opdrachtgevers ondersteund bij de beoordeling van de forse indexeringen in schoonmaakcontracten en de achterliggende oorzaken toegelicht. In gesprekken tussen opdrachtgevers, schoonmaakbedrijven en intermediairs blijkt dan vaak dat er meer begrip ontstaat wanneer de cijfers en achterliggende ontwikkelingen helder worden uitgelegd.
Maar wanneer er opnieuw een stevige stijging boven op de indexeringen van de afgelopen jaren komt, ontstaat onvermijdelijk de vraag hoe die kosten opgevangen moeten worden. En dan komt al snel de uitvoeringsfrequentie van het schoonmaakwerk ter discussie te staan.
Een ruimte die vijf keer per week werd schoongemaakt, wordt vier keer per week. Of drie.
De sector moet oppassen dat goede bedoelingen er niet toe leiden dat opdrachtgevers uiteindelijk vooral gaan zoeken naar manieren om minder schoonmaak te kopen. ”
Op papier lijkt dat een logische manier om kosten te beheersen. Maar wie iets langer in deze sector rondloopt, weet dat dit het begin kan zijn van een neerwaartse spiraal. Als de uitvoeringsfrequentie eenmaal omlaag gaat, is het namelijk ontzettend lastig om die later weer omhoog te krijgen.
En uiteindelijk is er één partij die daar het meeste last van heeft: de schoonmaker zelf.
Minder frequentie betekent simpelweg minder uren. Contracten worden kleiner, roosters krimpen en medewerkers verliezen werktijd. En juist daar wringt de schoen.
In de schoonmaak geldt namelijk vaak dat meer uren beter is. Voor medewerkers betekent het een stabieler inkomen en minder afhankelijkheid van meerdere kleine baantjes. Voor werkgevers betekent het meer binding, minder verloop en meer continuïteit op de werkvloer.
Nog iets valt mij op in de huidige discussies. Veel argumenten worden gebaseerd op de eerste loonschaal van de cao. Maar in de praktijk werkt een groot deel van de mensen al jarenlang in de sector. Mijn inschatting is dat misschien wel tachtig procent langer dan vier jaar in de branche werkzaam is en daardoor al in een hogere loonschaal zit.
Nogmaals: waardering en een goede beloning voor schoonmakers staan buiten discussie. Maar de sector moet oppassen dat goede bedoelingen er niet toe leiden dat opdrachtgevers uiteindelijk vooral gaan zoeken naar manieren om minder schoonmaak te kopen.
Want als dat gebeurt, wordt de rekening van hogere lonen uiteindelijk niet betaald met meer geld —
maar met minder uren werk.
Joost van Bommel, algemeen directeur SMC Group









