De werkgever beschuldigde de schoonmaakmedewerker van drugsgebruik onder werktijd, en ontsloeg hem daarom op staande voet. De schoonmaker was het daar echter niet mee eens. Hij erkende dat hij een joint had gemaakt, maar stelde dat dit in zijn pauze gebeurde en dus niet onder werktijd. Bovendien ontkende hij dat hij de joint had gerookt tijdens zijn dienst. Dit zou hij na werktijd op weg naar huis hebben gedaan.
De schoonmaker stapte daarom naar de rechter. Hij vocht het ontslag inhoudelijk aan, maar accepteerde uiteindelijk wel dat zijn contract was beëindigd. In de procedure ging het daarom alleen nog om de vraag of hij recht had op een financiële vergoeding.
Geen bewijs van blowen onder werktijd
De rechter oordeelt dat niet is bewezen dat de schoonmaker tijdens werktijd een joint heeft gerookt. De werkgever heeft zijn beschuldigingen niet onderbouwd en verscheen bovendien niet bij de zittingen.
Ook is niet duidelijk geworden welke regels op de werkplek golden. De werknemer gaf aan dat hij van anderen had begrepen dat roken op een bepaalde plek buiten het zicht was toegestaan. Volgens de rechter is niet vastgesteld dat hij regels heeft overtreden.
Daarom was het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.
Vergoedingen toegekend
De werkgever moet de werknemer een vergoeding betalen vanwege het onjuist beëindigen van het contract. Het gaat om een bedrag van € 1.927,90 bruto, plus 8 procent vakantiegeld.
Daarnaast heeft de werknemer recht op een transitievergoeding van € 384,76 bruto. Ook moet de werkgever de proceskosten betalen.
Bron: Rechtspraak.nl (ECLI:NL:RBMNE:2026:1522)







