Schoonmaker eist transitievergoeding na inbesteding, maar rechter gaat daar niet in mee

Schoonmaker eist transitievergoeding na inbesteding, maar rechter gaat daar niet in mee

Een schoonmaker die na het verlies van een schoonmaakcontract door zijn werkgever rechtstreeks in dienst kwam bij de opdrachtgever, heeft geen recht op een transitievergoeding. Volgens de rechtbank Midden-Nederland heeft de voormalige werkgever de arbeidsovereenkomst niet opgezegd. Bovendien zijn de werkzaamheden én de opgebouwde dienstjaren volgens de rechter overgegaan naar de opdrachtgever, die alle zes betrokken schoonmakers overnam.

De schoonmaakwerknemer was sinds 21 juli 2014 in dienst bij een schoonmaakbedrijf en werkte uitsluitend op één school in Almere. Die school maakte deel uit van een organisatie waarvoor het schoonmaakbedrijf de werkzaamheden uitvoerde. Na een Europese aanbesteding verloor het schoonmaakbedrijf het contract. De opdrachtgever besloot vervolgens om de schoonmaak niet aan een andere schoonmaakdienstverlener te gunnen, maar de werkzaamheden zelf te organiseren.

De schoonmaker trad op 11 juli 2025 in dienst bij de opdrachtgever en zette zijn werkzaamheden op dezelfde locatie voort. Al op 25 juni 2025 had hij daarvoor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd getekend.

Transitievergoeding geëist

De werknemer stelde dat zijn voormalige werkgever de arbeidsovereenkomst had opgezegd en vroeg daarom om een transitievergoeding. Daarbij verwees hij naar een brief van 10 juni 2025 waarin het schoonmaakbedrijf aankondigde het dienstverband mogelijk te moeten beëindigen als geen oplossing zou worden gevonden voor de betrokken medewerkers nadat het contract afliep.

Volgens de rechtbank was echter geen sprake van een daadwerkelijke opzegging. In de brief stond dat beëindiging alleen aan de orde zou zijn als de werknemer niet zou worden overgenomen. Omdat de opdrachtgever de schoonmaker uiteindelijk zelf in dienst nam, werd niet voldaan aan die voorwaarde. Het schoonmaakbedrijf heeft de arbeidsovereenkomst daarom niet opgezegd, oordeelde de kantonrechter. Daarmee ontbrak ook de basis voor een transitievergoeding.

Alle schoonmakers overgenomen

De rechtbank ging vervolgens ook in op de vraag wat de overgang van de medewerkers betekende voor hun opgebouwde arbeidsrechten. Volgens de rechter lijkt sprake te zijn van een overgang van onderneming. De opdrachtgever nam namelijk niet alleen de schoonmaakwerkzaamheden zelf over, maar ook alle zes medewerkers die zich met die werkzaamheden bezighielden. Zij zetten hun werk vanaf 11 juli 2025 zonder onderbreking voort.

Daardoor zijn volgens de rechtbank de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst mee overgegaan naar de nieuwe werkgever. Dat geldt ook voor de opgebouwde dienstjaren van de schoonmaker. Voor hem blijft daarom de oorspronkelijke indiensttredingsdatum van 21 juli 2014 relevant voor toekomstige arbeidsrechtelijke aanspraken. Als de nieuwe werkgever het dienstverband in de toekomst zou beëindigen en aan de wettelijke voorwaarden voor een transitievergoeding is voldaan, moet volgens de rechtbank worden uitgegaan van die oorspronkelijke datum.

Ook opvolgend werkgeverschap

De kantonrechter merkt daarnaast op dat dezelfde conclusie zou gelden als geen sprake zou zijn van een overgang van onderneming. In dat geval is volgens de rechtbank in ieder geval sprake van opvolgend werkgeverschap. De werkzaamheden van de schoonmaker bleven namelijk ongewijzigd en de overstap naar de nieuwe werkgever was het gevolg van de wijziging in de organisatie van het schoonmaakwerk, niet van een eigen keuze van de werknemer. Ook op die grond blijft zijn arbeidsverleden meetellen.

De rechtbank wees het verzoek om een transitievergoeding af. De werknemer moet daarnaast de proceskosten van zijn voormalige werkgever betalen, vastgesteld op 721 euro.

Bron: Rechtspraak.nl (ECLI:NL:RBMNE:2026:3145)

Mijn artikeloverzicht kan alleen gebruikt worden als je bent ingelogd.